"Zorg met een glimlach!"
Algemene info huishoudelijk en zorg
Aanleiding

Aanleiding voor de richtlijnen “hygiëne” is artikel 3.2 van het Besluit Erkenningnormen Kruisorganisaties (Leidschendam, juni 1981) waarin wordt omschreven welke hulp een kruisorganisatie tenminste moet bieden. Bij de vervulling van de in artikel 3.2 genoemde taken dient de kruisorganisatie maatregelen te treffen met betrekking tot de hygiëne door het stellen van regelen en voorschriften (artikel 13, Besluit Erkenningnormen Kruisorganisaties).

Als reactie hierop is in januari 1987 door de Nationale Kruisvereniging de nota “Hygiëne richtlijnen en adviezen voor hulpverleners in het Kruiswerk” uitgebracht. Tegelijkertijd werd besloten om de nota regelmatig, naar de nieuwste inzichten en ontwikkelingen, bij te stellen. Een herziene versie verscheen in september 1989. Deze is mede met behulp van opmerkingen van vele functionarissen tot stand gekomen.

De directie van STN heeft besloten de door de NK verspreide nota in eigen beheer uit te geven, waardoor herziening van onderdelen mogelijk wordt. Bij het samenstellen van de interne (STN) richtlijnen is de tekst van de NK nota overgenomen. Daar waar de praktijk en/of middelen afwijken is de tekst aangepast.

Doel Het geven van algemene richtlijnen en instructies om besmetting te voorkomen en verspreiding van infecties tegen te gaan.
  ADVIEZEN IN THUISSITUATIE
Verantwoordelijkheid In de thuissituatie is de functionaris van de kruisorganisatie verantwoordelijk voor de hygiëne bij de handelingen die hij/zij zelf verricht. Voor het overige kan deze slechts adviseren. In deze paragraaf gaat het om zijn/haar rol als adviseur in de thuissituatie met betrekking tot hygiënemaatregelen. Indien de cliënt of iemand uit diens omgeving er om vraagt kunnen adviezen gegeven worden.
Afval Afval, incontinentieluiers e.d. kunnen gewoon in de vuilnisbak gedeponeerd
worden en voorzien van een extra vuilniszak worden meegegeven an de vuilnisophaaldienst. Laat deze zak niet te lang op straat staan voor het ophalen.
Algemene ruimten Huiskamer, keuken toilet en badkamer dienen geregeld op normale manier, schoongemaakt te worden om het voorkomen van schimmels en bacteriën tegen te gaan. Geadviseerd wordt bij het schoonmaken van deze ruimten niet dezelfde doek te gebruiken. Op deze manier wordt voorkomen dat besmettingsbronnen van de ene plaats naar de andere gebracht worden.

Vloeren, badkuipen, douches, wasbakken, wc-brillen, deurknoppen e.d. hoeven niet routinematig gedesinfecteerd te worden; volstaan kan worden met reiniging. Alleen oppervlakken die zichtbaar besmet zijn met bloed, secreta of excreta dienen eerst gereinigd en daarna chemisch gedesinfecteerd te worden (indien mogelijk met een verdunde chlooroplossing).

De toiletruimte dient dagelijks gereinigd te worden. In het geval van vloeibare feaces moet de ruimte na reiniging chemisch gedesinfecteerd worden. Bij het schoonmaken van het toilet wordt geadviseerd plastic wegwerphandschoenen te gebruiken.
Linnengoed Vuile was, die in aanraking is geweest met bloed, secreta of excreta, dient bij voorkeur direct gewassen te worden op tenminste 80° graden. Is dit niet mogelijk, dan is een half uur weken in een verdunde chlooroplossing (1 : 10) of bleekmiddel (1 : 20) voldoende, waarna het vervolgens op lagere temperatuur gewassen kan worden. Gekleurd goed, dat geen hoge temperatuur en geen bleekmiddel verdraagt, kan met biologisch wasmiddel worden gewassen op een lage temperatuur (40-60°), maar wel op het langste wasprogramma.
Servies/Bestek Het is niet nodig om servies en bestek apart te houden. Dit kan normaal afgewassen worden in goed heet water. Hierna kan het ook door anderen weer gebruikt worden.
Verplegingsartikelen Verplegingsartikelen dienen zo spoedig mogelijk na gebruik door de cliënt te worden schoongemaakt (zie onderhoud van verplegingsartikelen). Artikelen die door de kruisvereniging zijn uitgeleend worden gereinigd en daarna gedesinfecteerd (indien mogelijk met een verdunde chlooroplossing) alvorens deze terug te brengen naar/te laten ophalen door het uitleenmagazijn.
Gemorst bloed sputum/urine e.d. Gemorst bloed, urine, ontlasting, braaksel e.d. dient opgeruimd te worden met gebruik van handschoenen. De plek waar gemorst is moet gereinigd en vervolgens gedesinfecteerd worden. De handschoenen dienen na gebruik gedesinfecteerd te worden met 70% alcohol (keukenhandschoenen) of weggegooid te worden (plastic handschoenen).
Ziekenkamer

De ziekenkamer moet dagelijks afgestoft worden. Het tapijt in een ziekenkamer dient in ieder geval dagelijks met een stofzuiger te worden gereinigd. Verder verdient het aanbeveling het tapijt één of twee maal per jaar te shamponeren. Wanneer gemorst wordt is onmiddellijke en volledige reiniging noodzakelijk
Aangetoond is dat:

  • In een tapijt, bij normaal gebruik in zeer korte tijd een grote hoeveelheid bacteriën wordt opgehoopt;
  • lopen op en stofzuigen van het tapijt, een hoger kiemgetal van de lucht veroorzaken dan lopen op en reinigen van een linoleumvloer.

Het stof dat zich op de vloer bevindt kan het beste droog verwijderd worden met een wisser met stofbindende doek. Indien men gebruik maakt van de natte methode dient de vloeistof veelvuldig ververst te worden.

Waarschuwing Gebruik een chlooroplossing nooit in combinatie met andere schoonmaakmiddelen in verband met chloorgasvorming. Bij regelmatig contact met Halamid is sensibilisatie waargenomen. Daarom dient men bij gebruik contact met de huid en inademing van de droge stof te vermijden.

  VERPLEGING EN VERZORGING VAN CLIËNTEN
Handen wassen Het is noodzakelijk dat verpleegkundigen en verzorgenden voor en na de verpleging/verzorging van iedere cliënt de handen wassen met zeep (gedurende 30-60 seconden) en afdrogen met een papieren of een schone handdoek. Tevens wordt geadviseerd dat tijdens de preventieve werkzaamheden op het consultatiebureau de arts en de verpleegkundige na het consult de handen wassen met zeep en afdrogen met een schone handdoek.

Indien de handen toch, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, in contact zijn geweest met bloed, secreta, excreta of besmette materialen dienen de handen gedesinfecteerd te worden met 70% alcohol:

  • 3 ml. Oplossing in droge handen;
  • gedurende ongeveer 30 sec. handen en polsen zorgvuldig inwrijven;
  • na deze procedure zullen de handen aan de lucht zijn gedroogd.
Handschoenen Het dragen van handschoenen is bij alle handelingen waarbij men in contact kan komen met bloed, secreta, excreta of artikelen die daarmee verontreinigd zijn verplicht. Dit dient ook het geval te zijn bij open huidaandoeningen aan de handen van de zorgverlener.
Overschort Bij wondbehandeling e.d. en bij curatieve zorg van cliënten is het dragen van een (semi-disposable) overschort verplicht. De semi-disposable schorten kunnen meerdere keren gebruikt worden en bij de cliënt achtergelaten worden. Het schort dient niet te worden aangehouden tijdens andere werkzaamheden.
Mondmasker

Tijdens de verpleging en verzorging van cliënten dient een goede hoesthygiëne Gehanteerd te worden. Vermijd aanhoesten van of niezen door de cliënt. Draag z.n. een P2 mondmasker of vraag de cliënt er één te dragen. Gebruik papieren zakdoeken slechts één keer.

Bij cliënten met HIV/AIDS, die hoesten, is het dragen van een mondmasker verplicht. Als de zekerheid bestaat dat de cliënt niet besmet is met MDR-TBC kan het mondmasker eventueel weggelaten worden mits een goede hoesthygiëne gerealiseerd kan worden. Gebruik van mondmasker, eventueel in combinatie met een (spat)bril als het spatten van lichaamsvloeistoffen mogelijk is (bloed e.d.)


Verantwoordelijkheid
Hygiëne bij de verzorging van cliënten is van belang voor zowel de gezondheid en veiligheid van de verplegenden en verzorgenden als het voorkomen van kruisinfecties. In de thuissituatie is de verplegende/verzorgende verantwoordelijk voor de hygiëne bij de handelingen die hij/zij zelf verricht.
De verpleegkundige en verzorgende is verantwoordelijk voor zorgvuldige verwijdering van het afval dat tijdens het handelen wordt veroorzaakt. Het is van belang dat cliënten, huisgenoten en personen die de afvoer van het afval verzorgen niet in aanraking kunnen komen met het afval en zich niet kunnen verwonden aan bijvoorbeeld naalden.

Verpleging/

wondbehandeling

Voor de verpleging van cliënten curatieve cliënten en bij wondbehandeling dienen de volgende middelen ter beschikking te staan:

  • zeep, handdoek;
  • latex handschoenen of plastic handschoenen voor verwijdering van wondmaterialen (gaasjes e.d.);
  • niet vochtdoorlatend schort (bv semi-disposable);
  • vuil-goed emmer en plastic afvalzak;
  • pincet en schaar;
  • desinfectans voor instrumenten en handen;
  • naaldencontainer

Deze middelen zijn noodzakelijk om te voorkomen dat men zelf besmet wordt en om te voorkomen dat men een infectie op anderen overbrengt.

1. Continuïteit

A. de cliënt krijgt zoveel mogelijk dezelfde hulpverlener(s)
B. in geval van ziekte/afwezigheid van de vaste hulpverlener komt er een vaste vervanger
C. de cliënt heeft een vaste contactpersoon

2. Hoe de hulpverlener zijn werk doet

A. de hulpverlener komt op tijd en houdt zich aan de afspraken
B. het werk van de hulpverlener heeft het gewenste resultaat
C. de hulpverlener doet zijn werk in één keer goed

3. De houding van de hulpverlener

A. de hulpverlener handelt zorgvuldig tijdens de uitvoering van de hulpverlening
B. de hulpverlener respecteert en waarborgt de privacy van de cliënt binnenshuis en buitenshuis
C. de hulpverlener luistert goed

4. Uitgaan van de cliënt en zijn directe omgeving

A. de hulpverlener houdt rekening met de cliënt als persoon, met zijn toestand, zijn ziektebeleving en zijn hulpverleningsgeschiedenis
B. de hulpverlener houdt rekening met wat de cliënt (niet) kan
C. de hulpverlener houdt rekening met de thuissituatie en de normen en waarden van de cliënt en zijn/haar gezinsleden

5. Beschikbaarheid

A. de cliënt kan op een centraal punt terecht voor thuiszorg
B. de hoeveelheid en soort hulp die nodig is, kan geboden worden
C. de thuiszorgorganisatie is uur per dag telefonisch bereikbaar

6. Informatie

A. de cliënt wordt geïnformeerd over z’n rechten en plichten, de thuiszorgorganisatie, de werkwijze, de kosten en de klachtenprocedure van de thuiszorgorganisatie
B. alle hulpverleners staan open voor vragen en wensen van de cliënt
C. de hulpverlener die de eerste keer bij de cliënt op bezoek komt, geeft schriftelijk informatiemateriaal over de thuiszorgorganisatie, de werkwijze, de kosten en de klachtenprocedure van de thuiszorg

7. Duidelijkheid

A. er zijn mondelinge en schriftelijke afspraken over wat voor hulp er geleverd wordt, wat de hulpverlener wel en niet mag en hoe de hulp geleverd wordt
B. zowel hulpverlener als cliënt zeggen wat ze van elkaar verwachten
C. de cliënt weet waar (bij welke organisatie) hij terecht kan met de hulpvraag

8. De organisatie van de thuiszorg

A. er is een vertegenwoordiger van de cliënten betrokken bij het beleid van de instelling
B. de hulpverlener doet tussentijds een evaluatie zodat de hulp bijgesteld kan worden
C. er is een klachtenprocedure

9. Keuzevrijheid van de cliënt

A. de cliënt kan aangeven hoe hij wil dat de hulp wordt verleend
B. de cliënt kan aangeven wanneer hij wil dat de hulp wordt verleend
C. de cliënt kan aangeven dat hij een andere hulpverlener wil

10. Samenwerking tussen de hulpverleners

A. er is een goede overdracht tussen andere zorgverleners en thuiszorg
B. de cliënt kan erop rekenen dat er wordt samengewerkt en dat er afstemming plaatsvindt tussen de verschillende soorten hulpverlening
C. afspraken tussen hulpverleners van verschillende instanties met betrekking tot de inhoud van de zorgverlening worden gemaakt in overleg met de cliënt of met medeweten van de cliënt

11. De afronding van de hulpverlening

A. de overdracht naar een andere discipline gebeurt in samenspraak met de cliënt en/of de familieleden
B. de hulpverlener draagt zorg voor een nabespreking bij de beëindiging van de hulp
C. tijdens de nabespreking is er ruimte voor de cliënt of direct betrokken om op- en aanmerkingen te maken over de hulpverlening, de hulpverlener en de manier waarop de hulpverlening georganiseerd is